dinsdag 13 januari 2009

Les 29: Gassen, vloeistoffen en vaste stoffen

1. Autogas bestaat uit butaanmoleculen en propaanmoleculen. Welke bewering is juist?
a. Autogas is een zuivere stof, butaan is ook een zuivere stof
b. Autogas is een zuivere stof, butaan is een mengsel
c. Autogas is eenmengesel, butaan is een zuivere stof
d. Autogas is eenmengsel, butaan is ook een mengsel

2. Een vloeistof ondergaat een faseverandering. De intermoleculaire ruimten worden door deze verandering heel groot en de van der waalskrachten worden heel klein. Om welke fase verandering gaat het?
a. Smelten
b. Stollen
c. Verdampen
d. Condenseren

3. Hoe noemt men een fase waarin een stof kan voorkomen?
a. Aggregatietoestand
b. Viscositeit
c. Meniscus
d. Oppervlaktespanning

4. Wat verstaan we onder de viscositeit van een vloeistof?
a. De fase waarin een stof kan voorkomen
b. De aantrekkende kracht tussen een vloeistof en glas
c. Het omhoog kruipen van een vloeistof tegen de glaswand
d. De mate van stroperigheid van een vloeistof

5. In de afbeelding zie je een peilglas met een vloeistof. Wat geldt in de situatie?

a. Het is een bolle meniscus die je aan de rand van de meniscus moet aflezen
b. Het is een bolle mensicus die je in het midden van de mensicues moet aflezen
c. Het is een holle meniscus die je aan de rand van de meniscus moet aflezen
d. Het is een holle meniscus die je in het midden van de mensicus moet aflezen

6. In welke fase is de vanderwaalskracht tussen moleculen het grootst?
a. In de vaste fase
b. In de vloeibare fase
c. In de gasfase

7. In de afbeelding zie je het water in een bekerglas. Door welke kracht staat het water aan de rand van het glas omhoog?
a. Door de capillaire kracht
b. Door de adhesivekracht
c. Door de vanderwaalskracht
d. Door de zwaartekracht

8. Hoe heet de faseovergang van gas naar vloeistof?
a. Condenseren
b. Sublimeren
c. Verdampen
d. Koken

9. Wat is een eigenschap van een mengsel?
a. Een mengsel heeft een bolle meniscus
b. Een mengsel bevat verschillende stoffen
c. Een mengsel bestaat uit een soort moleculen
d. Een mengsel is een vloeistof

10. Suiker is een?
a. Zuivere stof
b. Mengsel

11. Melk is een?
a. Zuivere stof
b. Mengsel

12. Van een vaste stof zijn de volgende eigenschappen bekend: de stof heeft geen vaste vorm maar wel een vast volume. Wat geldt voor de aggregatietoestand van deze stof?
a. De stof is vast
b. De stof is vloeibaar
c. De stof kan zowel vloeibaar als gasvormig zijn
d. De stof kan zowel vast als vloeibaar zijn

13. Met welke faseovergang heb je bij smelten te maken?
a. Met overgang van vast naar gas
b. Met overgang van vloeistof naar gas
c. Met overgang va vloeistof naar vast
d. Met overgang van vast naar vloeistof


14. Wat is een molecuul?
a. Het kleinste deeltje van verschillende stoffen
b. Het kleinste deeltje van een stof die nog all eigenschappen van
die stof heeft
c. Een mengsel met verchillende eigenschappen

15. Stoffen komen in drie fasen voor. Welke is niet juist?
a. Vast
b. Gas
c. Molecuul
d. Vloeibaar

16. Hoe noem je de fase verandering van een stof van gas naar vaste toestand?
a. Smelten
b. Rijpen
c. Stollen
d. Condenseren

17. Cohesie en adhesie hebben te maken met de aantrekkende vanderwaalskrachten. Welke opmerking is niet juist?
a. Cohesie is de aantrekkende vanderwaalskracht tussen moleculen van dezelfde stof
b. Cohesie is de aantrekkende vanderwaalskracht tussen de moleculen van twee verschillende stoffen
c. Adhesie is de aantrekkende vanderwaalskracht tussen de moleculen van dezelfde stof

18. Hoe ontstaat een holle meniscus?
a. als de cohesie tussen de vloeistofmoleculen en het glasmoleculen groter is dan de adhesie tussen de vloeistofmoleculen onderling
b. Als de cohesie tussen de vloeistofmoleculen en glas moleculen kleiner is dan de adhesie tussen de vloeistof moleculen onderling
c. Als de adhesie tussen de glasmoleculen en vloeistofmoleculen groter is dan de adhesie tussen de vloeistofmoleculen en de glas moleculen

19. Het veranderen van de fase of aggregatietoestand van een stof noemen we een fase verandering. Bij een faseverandering veranderen alleen: Welke opmerking is niet juist?
a. de grootte van de intermoleculaire ruimte
b. de grootte van de cohesiekracht
c. de grootte van de vanderwaalskrachten

Geen opmerkingen: